Products Basket (0) Checkout
Solo Cantatas for Alto and Tenor
Ton Koopman / Amsterdam Baroque Orchestra & Choir

Solo Cantatas for Alto and Tenor

1 CD | Jewelcase | Challenge Classics | 0608917228229 | CC 72282 | 01 February 2008

€ 8.95 Add to cart
Information

Most of Johann Sebastian Bach’s cantatas, from the earliest to the latest, require the participation of a choir that consists of soprano, alto, tenor, and bass voices. However, most of the movements of these cantatas – that is, all recitatives and arias – are assigned to solo singers usually representing three or four different voices.

In Weimar and in Leipzig Bach had a few professional singers he could make use of for particularly challenging vocal roles. A small contingent of stipends was provided by the Leipzig city council for Bach to hire a few key singers. Bach’s alto soloists were male and one of them was Bach’s student Carl Gotthelf Gerlach, who served as music director at Leipzig’s Neue Kirche from 1729 to 1761. He definitely served Bach as alto soloist in 1728 and 1729, most likely also earlier, so that he may well have been the singer who first performed cantatas BWV 169 and 170.

The alto solo cantata “Vergnügte Ruh, beliebte Seelenlust” BWV 170 was written for the 6th Sunday after Trinity and first performed on 28 July 1726.

The alto solo cantata “Gott soll allein mein Herze haben” BWV 169 was premiered on the 18th Sunday after Trinity, 20 October 1726.

The cantata “Widerstehe doch der Sünde” BWV 54, written for Oculi Sunday, the 3rd Sunday in Lent, was performed in Weimar on 4 March 1714, but probably originated in 1713 or earlier.

The tenor solo cantata “Ich armer Mensch, ich Sündenknecht” BWV 55 for the 22nd Sunday after Trinity was first performed on 17 November 1726.

The alto aria “Bekennen will ich seinen Namen” BWV 200 represents a fragment from a cantata whose other movements are completely unknown.

Bachs Alt-Solisten waren Männer, und einer von ihnen war Bachs Schüler Carl Gotthelf Gerlach. Dieser besuchte bis zum Jahre 1723 die Thomasschule und stellte sich Bach 1728 und 1729 als Alt-Solist zur Verfügung. Daher war er vielleicht der Sänger, der die Kantaten BWV 169 und 170 zuerst aufführte. Inhalt: Vergnügte Ruh, beliebte Seelenlust BWV 170 / Gott soll allein mein Herze habe BWV 169 / Widerstehe doch der Sünde BWV 54 / Ich armer Mensch, ich Sündenknecht BWV 55 / Bekennen will ich seinen Namen BWV 200

Solocantates van Bach uitgevoerd door Koopman en zijn toonaangevende ensemble
De meeste cantates van Johann Sebastian Bach vereisen de deelname van een koor bestaande uit sopranen, alten, tenoren en bassen. De meeste delen van de cantates, de recitatieven en aria’s, worden echter toegewezen aan solisten, die gewoonlijk drie tot vier verschillende stemgroepen vertegenwoordigen.

Slechts af en toe componeerde Bach een cantate voor een enkele solist. Of hij een beslissing in deze richting zou maken hing af van de aard van de tekst, de beschikbaarheid van solisten en de eventuele opdrachten van specifieke zangers.

In Weimar en Leipzig had Bach enkele professionele zangers tot zijn beschikking die hij kon inzetten voor bijzondere uitdagende vocale partijen. Hij ontving een gering salaris van de stadsraad van Leipzig, waarmee hij een aantal belangrijke zangers kon huren. Bachs altsolisten waren mannen, en een van hen was zijn student Carl Gotthelf Gerlach, die zeker in 1728 en 1729 ter beschikking stond van de componist, en waarschijnlijk al eerder. Het zou goed kunnen dat hij degene was die de cantates Gott soll allein mein Herze haben BWV 169 en Vergnügte Ruh, beliebte Seelenlust BWV 170, voor het eerst uitvoerde, de twee werken op dit album met solocantates voor alt en tenor. 

Tracklisting